
Marianne stond dertig jaar voor de klas. Dertig jaar lang was ze juf in Tilburg-West, in een omgeving die haar veel bracht. Niet alleen ervaring, maar ook een brede blik op mensen. “Ik ben een dorpsmeisje,” zegt ze, “maar werken in de stad was heel goed voor mij. Je kijkt verder dan je eigen voordeur.”
Ze begon ooit in Tilburg omdat de banen in de buurt niet voor het oprapen lagen. Wat eerst misschien tijdelijk leek, werd uiteindelijk een groot deel van haar werkzame leven. Ze werkte er met plezier, tussen kinderen en ouders met allerlei achtergronden. Juist dat heeft haar gevormd. “Van alle nationaliteiten heb je allerlei soorten mensen. Keurige mensen, behulpzame mensen, vervelende mensen, mensen die alles voor hun kind doen en mensen die het moeilijk vinden. Dat is niet aan cultuur gebonden.”
Toch kwam er een moment waarop het begon te wringen. In coronatijd stapte Marianne over naar een school dichterbij huis. Maar de overgang bleek groter dan verwacht. Een andere manier van werken, online lesgeven, en een organisatie die losser voelde dan ze gewend was. “Ik liep helemaal vast. Ik dacht zelfs: ik kan het niet meer.”
Haar man stelde toen een vraag die alles veranderde: waarom word je de laatste jaren niet onderwijsassistente?
Het was geen vanzelfsprekende stap. Van juf naar onderwijsassistente voelde als een tandje lager. Ook financieel. Maar het bleek precies de goede keuze. “Ik ga zonder stress naar mijn werk. En dat is mij zoveel waard.”
Als onderwijsassistente ondersteunt Marianne kinderen die extra hulp nodig hebben. Soms één op één, soms in kleine groepjes. Vooral lezen, taal en rekenen liggen haar goed. Ze werkt met kinderen die moeite hebben met bepaalde leerstof, maar ook met kinderen die nieuw zijn in Nederland, zoals een meisje uit Oekraïne dat nog nauwelijks Nederlands sprak.
Juist in dat één-op-één contact zit voor Marianne veel betekenis. Waar ze als juf een hele klas tegelijk moest dragen, kan ze nu inzoomen op één kind. “Dan kun je echt kijken: wat heeft dit kind nodig om het wél te begrijpen?”
Ze vertelt over een meisje dat vastliep met rekenen. Marianne haalde een ouderwets rekenhulpmiddel tevoorschijn, met kralen om eenheden, tientallen en honderdtallen zichtbaar te maken. Ineens viel het kwartje. Dat zijn de momenten waarop ze denkt: hier doe ik het voor.
Of het meisje uit Oekraïne, met wie communiceren in het begin nauwelijks ging. Tot ze samen moesten lachen om een woordje uit een boekje. “Dan denk ik: je maakt het toch heel even wat lichter voor zo’n kind.”
Naast haar werk als onderwijsassistente is Marianne ook eventmanager op school. Ze organiseert onder meer Sinterklaas, kerst, vieringen en andere activiteiten. Niet omdat dat haar grootste passie is, zegt ze eerlijk, maar omdat ze er goed in is. Ze is precies, gestructureerd en houdt overzicht. Daardoor leerde ze de school snel kennen en voelde ze zich sneller thuis.
Het creatieve stuk op school heeft wel een speciaal plekje. Marianne gaf met veel plezier crealessen. Knutselen, materialen klaarzetten, kinderen iets laten maken waar ze trots op zijn: daar wordt ze blij van. “Als kinderen dan zeggen: wanneer kom je weer, jij brengt altijd zulke leuke dingen mee om te knutselen, dan vind ik dat echt leuk.”
Wat mensen vaak niet zien aan werken in het onderwijs? Dat je eigenlijk nooit klaar bent. “Je kunt altijd nog een betere les voorbereiden, nog iets uitzoeken voor een kind, nog leuker materiaal maken.” Volgens Marianne is dat meteen de kracht en de valkuil van mensen met een onderwijshart. Je wilt het goed doen. Voor het kind, voor de klas, voor de ouders. Maar daardoor ga je makkelijk over je grenzen.
Ook het beeld van de vele vakanties klopt maar ten dele. “Mensen zien niet dat je vaak ’s avonds of in het weekend nog werkt. En dat je de hele dag aanstaat.” Zelfs iets simpels als naar het toilet gaan is voor een leerkracht niet vanzelfsprekend. “Als je voor de klas staat, kun je niet zomaar weg.”
Marianne geniet er daarom van dat haar werk nu anders is. Nog steeds vol, nog steeds betekenisvol, maar minder allesomvattend. Ze voelt zich nergens te goed voor. Een klas opruimen, verfpotten bijvullen, verjaardagskronen maken voor jarige kleuters, materialen klaarzetten, kinderen begeleiden: het hoort er allemaal bij. “Als ik mijn tas maar mee naar huis kan nemen zonder dat ik ’s avonds nog van alles móet.”
Misschien zit dat onderwijsgevoel ook wel een beetje in de familie. Haar moeder was kleuterjuf, al moest zij in die tijd stoppen toen er kinderen kwamen. Inmiddels staat ook Mariannes dochter voor de klas. Drie generaties waarin onderwijs, kinderen en praktisch bezig zijn steeds terugkomen.
Trots is ze vooral op het feit dat ze dertig jaar met plezier in Tilburg-West heeft gewerkt én dat ze durfde te veranderen toen het nodig was. “Als je voelt dat iets niet meer gaat, kun je ook een andere afslag nemen.”
Als Marianne één wens mocht doen voor het onderwijs, wist ze het wel: in iedere basisschoolklas een leerkracht én een onderwijsassistent. Niet als luxe, maar als basis. “Dan zou het onderwijs zoveel rijker worden. Voor de kinderen, maar ook voor de mensen die er werken.”
Want ondanks alles blijft haar liefde voor het onderwijs overeind. Ze weet hoe zwaar het kan zijn, maar ook hoe mooi. “Het is een heel mooi beroep. Maar je moet wel weten waar je voor kiest.”
